Toen het aluminiumbedrijf Pechiney zich in 1966 aanmeldde als een serieuze kandidaat voor het Zeeuwse Sloehavengebied, wilde het net als Aldel in Delfzijl in aanmerking komen voor goedkoop aardgas. In november 1967 wees de toenmalige minister van Economische Zaken, de aanvraag daartoe echter af.[6]
In de zomer van 1967 verschenen er ondertussen berichten in de pers dat de Samenwerkende Elektriciteits Produktiebedrijven (SEP) van plan waren een tweede kerncentrale te bouwen van 350 à 450 Megawatt in een gebied waar een grote stroomafname zonder transport over grote afstanden mogelijk zou zijn. [7]
Aldus kwamen de plannen voor Pechniney en de kerncentrale samen.
Gedeputeerde Staten van Zeeland deelden in 1967 aan Provinciale Staten mee dat de vestiging van een kerncentrale de komst van de Franse aluminiumfabriek Pechiney naar het Sloegebied mogelijk kan maken.[8]
In januari 1969 besloot het Pechiney definitief om zich in het Sloegebied te vestigen, met een regeringssubsidie van zestig miljoen gulden [9]. De PZEM sloot eveneens in 1969 een contract met Pechiney over stroomlevering tegen een prijs die volgens de PZEM alleen maar door de inzet van kernenergie bereikbaar is [10]. Daarom werd de bouw van een kerncentrale urgent. Zonder Pechiney zou de kerncentrale Borssele niet gebouwd zijn.
Het besluit begin 1969 van de Provinciale Zeeuwse Energie Maatschappij (PZEM) bij Borssele een kerncentrale te bouwen leverde zeven offertes op. Het Nederlandse consortium Neratoom schreef in met het ontwerp voor een kokendwaterreactor.
De PZEM gunde op 1 april 1969 de bouw niet aan Neratoom, maar aan de Westduitse firma Siemens/KWU, zo liet de gedeputeerde, tevens voorzitter van de PZEM, A.J. Kalland, weten. De offerte van Siemens voor een drukwaterreactor was namelijk twintig procent lager dan die van Neratoom. Dit leverde bij Neratoom en andere belanghebbenden veel wrevel op. Het besluit van PZEM betekende namelijk het einde van de plannen voor een eigen Nederlandse reactorindustrie.[11] [12] [13]