6. Na Tsjernobyl

Na het ongeluk met de kerncentrale te Tsjernobyl van april 1986 besloot de regering een groot aantal studies over de veiligheid van kernenergie uit te laten voeren. Zo werd het Internationale Atoom Energie Agentschap te Wenen uitgenodigd voor een onderzoek naar de bedrijfsvoering van de kerncentrale Borssele. Het ging hier om het Operational Safety Review Team (OSART).

Het OSART-rapport kwam op 10 januari 1987 in het nieuws. Zo berichtte het Zeeuwse dagblad De Stem: "Merkbaar geschrokken van de kritiek van een internationaal onderzoeksteam op de kerncentrale Borssele gaat de PZEM een serie - prijzige - maatregelen nemen om de veiligheid in en om de centrale te vergroten." Het gaat hierbij om betere beveiliging bij bran­den, de aanschaf van een extra regelpaneel en nog een hele reeks maatregelen meer.

Over het OSART-rapport [26] vond op 29 januari 1987 een mondeling overleg plaats [27], gevolgd door een plenaire behandeling op 25 februari 1987 [28]. Tijdens dit debat diende de PvdA-woordvoerder Kees Zijlstra een motie in om de kerncentrale Borssele, die op dat moment buiten gebruik was wegens brandstofwisseling, niet eerder in bedrijf te nemen voordat alle maatregelen die het OSART-team voorstelde zouden zijn uitgevoerd [29]. Op 25 februari 1987 werd deze motie verworpen. Weliswaar stemden PvdA, D66, PSP en PPR voor, maar deze fracties vormden de minderheid.

De directie van de kerncentrale Borssele nam als antwoord op deze dreigingen een vlucht naar voren. In het Elektriciteits­plan van 1983 werd nog uitgegaan van sluiting van de kerncen­trale Borssele in 1998 [30]. De SEP stelde op 27 november 1986, dus kort na het ongeluk te Tsjernobyl, het Elektriciteitsplan 1987-1996 vast. Daarin wordt uitgegaan van sluiting van de kerncentrale Borssele per eind 2003. CDA en VVD en de door deze partijen gesteunde regering keurden het Elektriciteits­plan 1987-1996 eind maart 1987 goed. Daarmee was levensduur­verlenging van Borssele een feit.

In de Provinciale Zeeuwse Courant van 19 november 1987 zei het hoofd van de kerncentrale, ir. J. den Boer, dat na OSART een plan is opgesteld om tot zeker het jaar 2003 door te draaien. Daarvoor zijn jaarlijks investeringen nodig van 20 tot 25 miljoen gulden. Den Boer is optimistisch gestemd over de toekomst van de centrale, liet hij de PZC weten.

Het optimisme bleek terecht, ondanks het feit dat op 27 febru­ari 1988 het Algemeen Dagblad opende met een vette kop: "Kern­centrales alarm". Hierin beschreef de krant een studie van de Gesellschaft für Reaktorsicherheit uit Duitsland naar de veiligheid van de Nederlandse kerncentrales [31]. Voor Borssele zouden 15 maatregelen genomen moeten worden. Dit rapport werd op 14 maart 1988 aan de Tweede Kamer aangeboden.

Discussie daarover had echter geen gevolgen.

De volgende discussieronde over Borssele werd ingeleid door een brief aan de Tweede Kamer van de Bezinningsgroep Energie­beleid, die op 12 december 1990 in de Volkskrant stond. Daarin schrijft de Bezinningsgroep dat bij de Nederlandse kerncentra­les in bepaalde situaties een vermogensexcursie niet kan worden uitgesloten. Het gaat hier om een forse toename van het aantal neutronen, gevolgd door een sprongsgewijze stijging van het aantal kernpslijtingen, waardoor de elektriciteitsproduk­tie sterk toeneemt. Dat blijkt uit verschillende studies. Het was juist deze snelle toename van het vermogen, de zogeheten vermogensexcursie, die een belangrijke oorzaak was van het ongeluk met de kerncentrale te Tsjernobyl.

Als reactie op deze brief vond er in de Tweede Kamer op 29 januari 1991 een mondeling overleg plaats [32], gevolgd door een plenair debat op 6 februari 1991. Tijdens dit debat pleitte de PvdA-woordvoerder Jaap Jelle Feenstra ervoor, om de kerncen­trales, die op dat moment stillagen voor brandstofwisseling, niet meer in bedrijf te nemen in afwachting van de resultaten van een veiligheidsonderzoek naar deze zogeheten reactivi­teitsongevallen. De meerderheid van de Tweede Kamer wees dit echter af. Wederom was sluiting van Borssele afgewend.