10. Rampenplan rammelt

De overheden gaan wel ter dege uit van een mogelijke ramp met de kerncentrale. Daarvoor is er namelijk een rampenplan ge­maakt. Als men er van overtuigd zou zijn dat er nooit wat zou kunnen gebeuren, zou een dergelijk plan overbodig zijn.

Op 21 februari 1990 is het rampenplan voor Borssele versche­nen[53]. Het rampenplan is gemaakt op basis van een ongeval waarbij 3% van het in de reactorkern aanwezige jodium vrij­komt. Maar bij Tsjernobyl kwam 30% vrij, terwijl bij de Duitse kerncentrale Biblis een ongeluk met een lozing van 50% jodium wordt beschreven (deze reactor is net als Borssele door Sie­mens gebouwd maar kwam 4 jaar later in bedrijf)[54].

Volgens het rampenplan moet in een omgeving van 5 kilometer geëvacueerd worden. Milieuorganisaties als Natuur en Milieu hebben echter uitgerekend dat bij een ongeluk in ieder geval heel Walcheren, Noord- en Zuid-Beveland en groot deel van Zeeuws-Vlaanderen en een stuk Schouwen-Duivenland moeten worden ontruimd. Een gebied van 250 bij 50 km zal voor zeker vijf jaar onbewoonbaar en onbruikbaar zijn.[55]

Volgens het rampenplan moeten mensen tot op 10 kilometer van de kerncentrale jodiumpillen innemen en tot op 20 kilometer binnenblijven en schuilen; dit is "de meest effectieve bescherming", mits men naar binnengaat voor de radioactieve wolk overtrekt en men na het overtrekken van de wolk weer "sterk ventileert".

Een aparte manier van beleid maken blijkt ook uit de volgende passage: "De bevolking zal ten einde de inwendige besmetting te beperken gebruik kunnen maken van eenvoudige hulpmiddelen, als stofmaskers, natte doeken etc., om mond- en neusgaten te bedekken. Daarnaast is ter beperking van uitwendige besmetting goed zittende, gladde kleding etc. aan te bevelen. (...) distributie van beschermende middelen onder de bevolking, bijvoorbeeld maskers of dosisregistrerende apparatuur, wordt niet overwogen."

Er komt een graasverbod voor "een groot deel van Nederland" en in Zeeland komt er een oogst- slacht- en berege­ningsverbod.

De overheid heeft al opvangcentra aangewezen voor de te evacu­eren mensen, namelijk legerplaatsen bij Ossendrecht, Woens­drecht, Breda en Gilze. Hoe de mensen geëvacueerd moeten worden, is de vraag. Volgens het rampenplan is de trein "een uitermate geschikt middel om snel grote bevolkingsgroepen te evacueren", maar doet zich het probleem voor dat "de te evacu­eren personen eerst naar het station Goes moeten worden ver­voerd". De overheid heeft een plan voor leerlingen van de scholen: "De lessen dienen beëindigd te worden zodat gezinshe­reniging zo snel mogelijk plaats kan vinden. Voor kinderen wier ouders niet thuis zijn dient opvang geregeld te worden. Vervoer van die (kleine) groep zal per bus geschieden". Onge­veer 1% van de bevolking bestaat uit "bed-legerigen en invali­den", die met een ambulance vervoerd dienen te worden". De overheid heeft het vervoer van deze groep administratief geregeld: "De verblijfplaatsen zijn bekend bij de Kruisvereni­gingen en direct aldaar opvraagbaar". En nu maar hopen dat er voldoende ambulances zijn??!!

Het rampenplan gaat dus uit van een te beperkte omvang van het gebied, werk evacuatieplannen niet goed uit en stelt dat de bevolking met natte doeken en gladde kleding de radioactivi­teit tegen moet houden. Daarmee geeft de overheid aan de bevolking niet serieus te nemen. Dat wijzen we af.

Het in februari 1991 verschenen rampenplan voor de kerncentra­le Dodewaard[56] lijkt veel op dat van Borssele, alleen is het thema 'ontsmetting' verder uitgewerkt. We nemen aan dat dit ook zo geldt voor Borssele. Enkele passages om de sfeer van het deel (rapport 5B) over ontsmetting van de geëvacueerde personen weer te geven; deze personen komen in een speciale ontsmettingsruimte: "Als huid en hoofdhaar beide besmet blij­ken te zijn, dient eerst het hoofdhaar en dan pas de huid ter worden ontsmet, om verspreiding van de besmetting tegen te gaan. Als men het haar zelf wast, dienen de handen van tevoren met een zacht bor­steltje en vloeibare zeep geboend te zijn. Het haar wordt ontsmet door gedurende één minuut te shampone­ren en vervolgens goed uit te spoelen. (..) Na de ontsmetting van het hoofdhaar (bij lang haar het haar opsteken) gaat men over op ontsmetting van de huid. De besmette lichaamsdelen dienen als volgt met warm water te worden gewassen: gedurende één minuut goed inzepen en boenen met een zachte borstel. (..) Als blijkt dat na het wassen met water en zeep er nog een aanzienlijke besmetting resteert, kan deze onder begeleiding behandeld worden met een verdunde (5%) chloorbleekloog-oplos­sing. Men dient hierbij uit te kijken voor de ogen." (p. 24 en 25) Verder beveelt de overheid nog aan om deze handelingen drie keer te herhalen. "Voor ouden van dagen en hulpbehoeven­den die dit niet zelf kunnen doen, is er hulp beschikbaar" (p. 30). Maar hoe de overheid dit wil organiseren, lezen we niet.

De overheid heeft ook gedacht aan besmette huisdieren: die mogen niet in de ontsmettingsruimten toegelaten worden en "de eigenaar (van het huisdier) dient voor de ontsmetting van het huisdier zorg te dragen, voordat hij of zij zelf ontsmet wordt" (p. 44). Maar dieren die moeilijk te ontsmetten zijn met shampoo of met water zoals vogels "dienen in een asyl achtergelaten te worden". Het knippen van de vacht dient niet grootschalig toegepast te worden, maar kan eventueel in nood­gevallen als uiterste redmiddel toegepast worden." (p.44)

Voor al deze ontsmettingsmanieren zijn uitgebreide meetmetho­den, hulpmiddelen en personeel nodig, terwijl de bevolking van te voren goed moet weten hoe men moet handelen, zo concluderen we. Wil dit werken, zo kunnen we stellen, dan is er veel voorbereiding en oefening voor nodig. Maar een daadwerkelijke ramp wordt nooit met de bevolking geoefend. Het rampenplan is dus niet goed voorbereid en dat is een argument voor de slui­ting van de kerncentrale.